Werkgevers en werknemers denken verschillend over vitaliteitsbeleid

Werknemers en werkgevers denken in toenemende mate verschillend over de invulling van vitaliteitsbeleid op de werkvloer. Beiden vinden weliswaar dat werknemers primair zelf verantwoordelijk zijn voor de eigen gezondheid; ze hebben andere ideeën over wat belangrijke activiteiten zijn op het gebied van vitaliteit op de werkvloer. Dit blijkt uit de CZ Vitaliteitspeiling die onderzoeksbureau Intomart GfK in opdracht van zorgverzekeraar CZ dit jaar voor de tweede keer heeft gehouden.

Zo biedt een werkgever bijvoorbeeld een fietsenplan aan, terwijl een werknemer liever eerst heeft dat zijn eigen werkplek aan de basiseisen voldoet. Of dat er ruimte is voor flexibele werktijden in plaats van het organiseren van bedrijfsuitjes.

Bemoeienis
Werkgevers en werknemers denken in toenemende mate verschillend over het ‘bemoeien’ met vitaliteit. Werkgevers vinden, meer dan in 2010 (77% tegenover 73%), dat zij hun medewerkers mogen attenderen op ongezond gedrag. De werknemer deelt deze mening wel (73% nu tegenover 76% in 2010), zolang het over attenderen gaat. Door de werkgever aangesproken worden op gebrek aan vitaliteit gaat voor werknemers echter te ver: slechts 29% vindt dat dit kan (vorig jaar nog 40%), terwijl steeds meer werkgevers wél vinden dat dit zou moeten kunnen (45% tegenover 40% in 2010). Bijna tien procent van de werkgevers vindt zelfs dat ze hun medewerkers mogen ontslaan op basis van ongezond gedrag, slechts twee procent van de werknemers is dat met hen eens.

Werknemers benoemen andere prioriteiten
Werkgevers zien het inrichten van goede werkplekken als de belangrijkste activiteit die ze verrichten op gebied van vitaliteit (50% zegt dit te doen), terwijl 74% van de werknemers dat in de praktijk niet zo ervaart en juist vindt dat de werkgever daar wel eens beter naar mag kijken. Ook wordt door de werknemers aangegeven dat bij ruim eenderde van de bedrijven een fietsplan beschikbaar is, terwijl dat helemaal niet als belangrijke activiteit op het gebied van vitaliteit gezien wordt. Liever krijgt een medewerker flexibele werktijden en de mogelijkheid om thuis te werken. Ook benoemen werknemers het beschikbaar stellen van een gezondheidsbonus als een van de belangrijkste activiteiten voor werkgevers om vitaliteit te stimuleren (19%).

Economisch belang helder
‘Aandacht voor vitaliteit helpt uitval door ziekte voorkomen’ en ‘door een positieve werkhouding te stimuleren wordt bovendien de productiviteit verhoogd’, worden door respectievelijk 73% en 83% van de werkgevers benoemd als belangrijkste redenen om aandacht aan vitaliteit te besteden. Daarmee lijkt het economisch belang van de aandacht voor vitaliteit in een verkrappende arbeidsmarkt door vergrijzing en aantrekkende economie helder. Toch zijn werkgevers tegelijkertijd minder actief, omdat zij het als eigen verantwoordelijkheid van de werknemer zien en – dit jaar significant vaker benoemd dan in 2010 – het economisch klimaat als tweede belangrijke reden zien om niet actief te zijn (dit jaar 23% tegenover 15% vorig jaar).

Verantwoordelijkheid HR-functionaris
Hoewel het belang dus helder lijkt onder werkgevers, blijkt dat in vergelijking met vorig jaar het ‘vitaliteitsbeleid’ nog minder structureel ingebed is in de organisatie; slechts bij 22% van de werkgevers heeft vitaliteit een structurele plek in beleid (vorig jaar 28%). Daarbij wordt het onderwerp wel vaker gezien als verantwoordelijkheid van de HR-functionaris, maar is in bijna 80% van de bedrijven hiervoor geen budget gereserveerd.

Resultaten peiling
De Vitaliteitspeiling is gehouden onder 900 respondenten (zowel werkgevers als werknemers) in de periode van 10 februari t/m 24 februari 2011. Alle uitkomsten uit de CZ Vitaliteitspeiling zijn vanaf nu na te lezen op www.cz.nl/vitaliteitsrapport.