Wat zijn uw rechten en plichten als werknemer bij langdurige ziekte?

Wie langdurig ziek wordt en in loondienst werkt, krijgt te maken met een strak stappenplan om weer aan de slag te gaan. Wat komt er allemaal op je af? En welke uitkering krijg je als je niet meer kunt werken?

Griep, been gebroken, overspannen? De eerste stap bij elke ziekte is hetzelfde: u moet zich ziek melden bij de juiste persoon of afdeling. Veel bedrijven, zeker de grotere, hebben een verzuim­protocol en ook in uw cao kunnen regels staan. Afhankelijk van uw klachten kan het verstandig zijn vooraf te bedenken wat u wilt vertellen en wat niet. Hoogstwaarschijnlijk zal uw werkgever vragen hoelang u denkt ziek te zijn. Logisch, want het werk moet door kunnen gaan en misschien moet u wel tijdelijk vervangen worden. Formeel mag een werkgever niet vragen welke ziekte u onder de leden hebt. Doet hij dat toch, dan hoeft u niet te ant­woorden.

Denk eraan dat bij een arbeidsconflict een ziekmelding niet zomaar wordt geaccepteerd; ruzie op het werk is geen ziekte. Er moet dan een andere oplossing komen. Tijdens uw ziekte betaalt uw werkgever uw loon door. Wettelijk hebt u recht op 70 procent van uw loon, maar in veel cao’s is een ­hoger percentage afgesproken. Het doorbetalen van het loon duurt maximaal twee jaar; bent u dan nog ziek, dan wordt u gekeurd voor een wia-­uitkering (zie verderop).

De eerste weken
Uw werkgever is verplicht uw ziekmelding binnen een week door te sturen naar de arbodienst of bedrijfsarts. Ieder bedrijf moet aangesloten zijn bij een arbodienst of zich op een andere manier deskundig laten ondersteunen bij het verzuimbeleid. De bedrijfsarts neemt contact met u op om de ziekte te bespreken. Als hij informatie wil vragen aan uw huisarts en/of specialist, dan krijgt hij die alleen als u daar uitdrukkelijk toestemming voor geeft. Volgens de wet is de bedrijfsarts onafhankelijk, maar veel werknemers ervaren hem of haar als een verlengstuk van de werkgever. Goed om te weten: een bedrijfsarts heeft beroepsgeheim. Dat betekent dat hij uw medische gegevens niet aan uw werkgever mag doorgeven. Wel mag hij het bedrijf adviseren over aanpassingen als het ziekteverzuim te maken heeft met het werk.

Het is de bedoeling dat u bij ziekte weer zo snel mogelijk aan de slag gaat. Deze re-integratie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van u en uw werkgever. Binnen zes weken na uw ziek­melding zal de bedrijfsarts een probleem­analyse maken: hij zet op een rijtje wat de aard van uw ziekte is, wat u wel en niet kunt, en wat er nodig is om weer aan het werk te kunnen. Uiterlijk in de achtste week zet uw werk­gever samen met u een re-­integratieplan op papier, dat ­gebaseerd is op de probleem­analyse. Hierin kunt u afspraken maken over eventuele aanpassingen op het werk, trainingen en ­therapieën, of over activiteiten die u begeleiden naar ander werk. Een case­manager bewaakt de voortgang van uw re-integratie.

Om de zes weken is er contact om de voortgang te bespreken. Eventueel kunt u dan samen met uw werkgever het plan van aanpak bijstellen. Mocht u in week 42 na de ziekmelding nog steeds ziek zijn, dan meldt uw werkgever u ziek bij het uwv. Bij een ernstige ziekte of na een zwaar ongeval kan de bedrijfsarts tot de conclusie komen dat re-­integratie op afzienbare termijn niet mogelijk is. U kunt dan een wia-uitkering met verkorte wachttijd aanvragen bij het uwv. Dat kan tot uiterlijk 68 weken na de ziekmelding.

Weer aan de slag
De werknemer is, zoals gezegd, ­samen met de werkgever verantwoordelijk voor de re-integratie. Probeer zo actief mogelijk te werken aan uw herstel zoals dat is vastgelegd in het plan van aanpak. Neem zelf initiatieven, ga geregeld naar de huisarts of specialist en probeer uw gezondheid te verbeteren. Als de bedrijfsarts aanwijzingen geeft om beter te worden, bijvoorbeeld een bepaalde training of therapie volgen, dan moet u dat opvolgen.

Mogelijk kunt u uw werk met ­enkele aanpassingen of hulpmiddelen weer doen. U kunt zelf ook suggesties in die richting doen. Is het niet mogelijk om terug te keren naar uw werk, dan is er wellicht ander werk dat passend is. Dat kan bij uw eigen of bij een andere werkgever zijn. Zulk passend werk moet u aannemen, tenzij u het psychisch of lichamelijk niet aankunt. Tip: houd een logboek bij waarin u ­alle activiteiten rond uw re-integratie vastlegt; als er later eventueel een conflict ontstaat, kan het van pas komen.

Oneens met bedrijfsarts
Vroeger werden zieke werknemers nogal eens aan hun lot overgelaten en verdwenen zij vaak ­stilletjes in de wao. Tegenwoordig (met de wettelijke verplichting tot re-integratie en loon­doorbetaling) komt het juist voor dat de bedrijfsarts en werkgever de zieke werknemer onder druk zetten om snel weer aan de slag te gaan.

Maar wat als u zelf vindt dat dit niet ­bevorderlijk is voor uw gezondheid, en uw huisarts of specialist u hierin steunt? U kunt in zo’n geval vragen of de bedrijfsarts contact wil opnemen met uw huisarts of specialist (of omgekeerd). Blijft de bedrijfsarts erbij dat u weer aan het werk moet, dan kunt u bij het uwv een second opinion aanvragen. Dit heet deskundigenoordeel. De uitkomst daarvan is niet bindend en de aanvrager betaalt een bijdrage van €50.

U of uw werkgever kan altijd een deskundigenoordeel aanvragen als de re-integratie dreigt stil te vallen, of als er een conflict is over passend werk. Aan het eind van het eerste jaar ziekte volgt een evaluatie: een ­‘opschudmoment’ om te kijken of u op de goede weg bent met de re-integratie. Zo niet, dan kunt u het plan van aanpak aanpassen. Vaak gaat dit opschudmoment ongemerkt voorbij en gaat de re-integratie het tweede jaar in.

Langdurig ziek
Mocht het nog steeds niet lukken om weer aan de slag te gaan, dan maakt uw werkgever samen met u na 20 maanden een eindevaluatie. Samen met de probleemanalyse, het plan van aanpak en de andere documenten vormt dit het re-­integratieverslag. In deze periode komt ook de aanvraag van een wia-uitkering in beeld (voorheen de wao), want na twee jaar ziekteverzuim stopt de loondoorbetaling door de werkgever.

Bij de aanvraag van de wia-uitkering kijkt het uwv naar het re-­integratieverslag. Mocht het uwv vinden dat de werkgever te weinig heeft gedaan voor uw re-integratie, dan kan het uwv beslissen dat het bedrijf uw loon nog enige maanden moet doorbetalen en dat het zich extra moet inzetten voor uw re-integratie. In de praktijk zet dit weinig ­zoden aan de dijk; vaak blijft het bij een kleine aanpassing van het plan van aanpak en hebt u daar weinig aan.

Als het uwv u een wia-uitkering toekent, zijn er twee mogelijk­heden. De eerste: u kunt vanwege uw gezondheid echt niet meer werken en ontvangt een iva-uitkering. Dat is 75 procent van het wia-maandloon. De iva-uitkering loopt in principe door tot uw 65ste jaar. De tweede mogelijkheid: u bent minimaal 35 procent arbeids­ongeschikt en kunt nog gedeeltelijk werken. U krijgt dan een wga-uitkering. Deze is bedoeld als een ­(tijdelijke) aanvulling op uw ­inkomen.

Veelal ontvangt men eerst een uitkering waarvan de hoogte én de duur gebaseerd zijn op het oude loon en op het arbeidsverleden. De eerste twee maanden is de uitkering 75 procent van het laatstverdiende loon, daarna is het ongeveer 70 procent van het loon. Als vuistregel geldt dat een jaar arbeidsverleden overeenkomt met een maand uitkering. Vindt u werk, dan wordt uw loon voor 70 procent met de uitkering verrekend.

Sociaal minimum
Na afloop van deze loongerelateerde uitkering wordt gekeken naar het loon dat u volgens de arbeidsdeskundige nog zou kunnen verdienen. Verdient u meer dan de helft van dat ‘theoretische’ loon, dan blijft uw uitkering gebaseerd op uw oude loon. Verdient u minder dan de helft, dan wordt het minimumloon het uitgangspunt voor de uitkering. Dat zal vaak aanzienlijk minder zijn. Komt u daardoor onder het sociale minimum terecht, dan kunt u een ­toeslag aanvragen.

(Bron: Plus Online)